|
Martine Delfos, lector ‘Vituele ontwikkeling van de jeugd’ aan de Hogeschool Edith Stein, pleit voor internetopvoeding
door Marjon Kok
‘We laten onze kinderen in de steek’
Als psycholoog en psychotherapeut ontdekte Martine Delfos twintig jaar geleden al de voordelen van de computer voor kinderen. Toch waarschuwt ze regelmatig voor de gevaren van het world wide web. ,,Overal en altijd voeden we onze kinderen op, behalve als het gaat om de computer.”
Verbijsterd is ze. Verbijsterd, als ze hoort dat ze in krantenartikelen altijd wat zorgelijk overkomt over kinderen en internet. Vaak gaat het over de gevaren. Over digitaal pesten, over massahysterie, verslaving of porno op het world wide web waarmee kinderen zomaar en plotseling kunnen worden geconfronteerd. En over de trauma’s die ze daarbij kunnen oplopen. Maar zorgelijk? ,,Ik ben verbijsterd dat je dat zegt.”
Was zij niet de eerste die in therapeutische sessies met kinderen de computer gebruikte als hulpmiddel? ,,Moet je nagaan, dat deed ik twintig jaar geleden al!”
Angst en agressie behandelde ze destijds al met behulp van de computer. ,,Ik was de eerste. Niemand deed dat toen nog.”
Ze herinnert zich een meisje. ,,Acht of negen jaar oud. Een ongelofelijk slechte geschiedenis. Schuw, moeilijk in de omgang, een beetje externaliserend, brutaalachtig. Ze ontplofte letterlijk als je iets positiefs over haar zei. Zelfs een aardige blik kon ze niet verdragen.” Dat is moeilijk hoor, zegt Martine Delfos. ,,Toen dacht ik, nou, oké, ze heeft dus een hekel aan zichzelf. Ze daagt anderen steeds weer uit om te bewijzen dat ze haar ècht wel aardig vinden.”
Ze stelde voor om een verhaaltje op de computer te schrijven. ,,Om de beurt bedachten we een zin. Eerst ik, toen zij, dan ik weer. We schreven over zomaar een meisje – toevallig had ze hetzelfde jurkje aan als zij. En langzaam”, vertelt Martine Delfos, liet ze het meisje in het verhaal steeds een beetje meer lijken op haar cliënte. ,,Op een gegeven moment kon ik schrijven: weet je wat zo moeilijk is aan dat meisje: ze wil door niemand aardig gevonden worden.” Martine Delfos spreidt haar armen. ,,Maar dat ben ík, zei het meisje toen.” Ze kreeg een brok in haar keel, vertelt ze. ,,Wat dat meisje zelf niet kon communiceren, lukte wel via de computer. Praten ging niet. Maar op de computer ging het wèl.”
Ze bedoelt maar: ,,Een computer neemt alles wat je zegt serieus. Of je nu taalfouten maakt of onzin verkondigt, een computer neemt alles aan. Je hoeft elkaar ook niet aan te kijken als je achter de computer zit. Dat is veilig, voor sommige kinderen. Computers zijn fantastisch!”
Dat ze ook vaak waarschuwt voor de gevaren van internet voor kinderen, komt gewoon omdat íemand dat moet doen. ,,Ik moest wel. Niemand anders was daar mee bezig.”
Ze zegt het nog eens: ,,Ik ben hartstikke vóór computers!” Dan fel: ,,Waar ik tegen ben, is dat we onze kinderen daarin niet echt zijn gaan opvoeden. We voeden onze kinderen altijd en overal op, behalve als het gaat om de computer.” Ze maakt een vergelijking. ,,Nu zeg ik: het is beter om de fiets af te schaffen. Ja, de fiets! Want weet je”, en ze buigt samenzweerderig naar voren, ,,fietsen is slecht voor kleine kinderen; het is namelijk erg gevaarlijk om te fietsen op de snelweg.”
,,Nou ja”, vervolgt ze quasi vergoelijkend, ,,dat is ook weer jammer. Fietsen is immers handig en leuk. Laten we een kind dan maar leren fietsen. Met zijwieltjes om te beginnen.” Kijk, zegt ze. ,,Dat doen we dus nauwelijks met de computer. Daar leren we kinderen niets. We laten ze los, voeden ze niet op. Geven ze geen zijwieltjes om een beetje te oefenen.”
Aan het begin van het gesprek vraagt Martine Delfos: ,,Vind je het goed dat ik het interview opneem?” Nee, nee!, haast ze zich te zeggen, dat is niet omdat ze de journalist niet vertrouwt. ,,Geen moment aan gedacht zelfs.” Het zit zo: haar onderzoekers zijn geïnteresseerd in hetgeen ze vertelt tijdens interviews. ,,Iedere keer zeg ik het toch weer beter. En iedere keer begrijpen ze dieper wat ik zeg.”
Ze publiceert veel. Schrijft boeken. Geeft lezingen. En brengt graag een boodschap over. Daarom heeft ze ook ja gezegd op de vraag of ze het lectoraat ‘Virtuele ontwikkeling van de jeugd’ wil bekleden aan de Hogeschool Edith Stein in Hengelo. Samen met docenten en studenten zal ze onderzoek doen naar de manier waarop kinderen met het virtuele milieu - met televisie, computer, internet, mobieltjes - omgaan, en hoe dit kan worden ingepast in het hedendaagse basisonderwijs.
Het contact met het oosten van het land kwam jaren geleden tot stand na een lezing die ze gaf in Enschede, over de verschillen tussen jongens en meisjes. ,,Ad Kappen (orthopedagoog en coördinator van het samenwerkingsverband Weer Samen Naar School Enschede/Losser, M.K.) was daar zo van onder de indruk dat hij mij voor een gesprek uitnodigde over de vuurwerkramp. Dat werd een aparte vergadering. Ze waren erg verbaasd toen ik ze precies de resultaten voorspelde van het onderzoek naar de vuurwerkramp. Veel mensen hadden last van stress. Dat komt, zei ik, omdat jullie overal praatgroepen hebben opgericht. Jullie moeten rengroepen organiseren, per straat. Rennen gebruikt de stresshormonen op en het versterkt de sociale structuur van een straat.” Jammer genoeg, zegt Martine Delfos, was er een nieuwe ramp nodig om tot deze andere manier van rouwverwerking te komen. ,,Er werd een politieagent doodgeschoten, uitgerekend op het plein van de school die het meest was getroffen door de vuurwerkramp. Voor de kinderen was dat dubbel traumatisch. Toen zijn de lessen uit die bespreking toegepast.”
Kort daarop kreeg ze een mailtje uit Enschede. ,,HET WERKT, stond er. In hoofdletters.”
Natuurlijk werkt het, zegt Martine Delfos. ,,De deskundigen zijn immers de mensen zelf. Die moet je dus in de gelegenheid stellen om te doen wat ze weten. Je moet de talenten van onderwijzers benutten en vertrouwen hebben in kinderen. Kinderen hebben hun eigen manieren om trauma’s te verwerken.”
Van het een kwam het ander. Zo werd de psychologe en psychotherapeute uit Utrecht betrokken toen Enschedese pubers elkaar aanstaken tot zelfdoding via internet. Zelfmutilatie en zelfmoord werd er verheerlijkt. ,,Toen hebben we het idee ontwikkeld om Virtueel Leven Enschede op te richten. Uniek in Nederland, misschien zelfs in de wereld”, zegt ze.
Virtueel Leven Enschede is een project waarin de gemeente Enschede in nauwe samenwerking met scholen en professionals een wezenlijke bijdrage wil leveren aan een gezonde virtuele ontwikkeling van de jeugd. Inmiddels is er al een virtuele supermarkt, waar ouders en leerkrachten terecht kunnen voor informatie over kinderen en internet. Het lectoraat van Delfos aan de Hogeschool Edith Stein, de pabo in Hengelo, is een volgende stap. Bedoeld om de wetenschappelijke onderbouwing te steunen en de deskundigheid in de pabo te bevorderen.
Martine Delfos wil in ieder geval bereiken dat ouders hun kinderen kunnen opvoeden, ook in het virtuele milieu. ,,We laten onze kinderen in de steek”, constateert ze. ,,Dat meen ik echt! Ouders moeten niet bang zijn omdat zij geen verstand hebben van computers. Dat ze zelf niet met computers zijn grootgebracht, maakt helemaal niet uit.” Laatst gaf ze een lezing in Leeuwarden, voor een groep studenten van rond de twintig jaar. ,,Die weten óók niet waar jongeren van zestien mee bezig zijn.”
,,Maar dat hoeft ook niet. Ouders hebben verstand van opvoeden, dat is universeel. Dat moeten ze dan ook gaan doen.”
Ze vertelt over een jongetje van vier jaar oud, dat laatst helemaal overstuur bij zijn moeder kwam. ,,Hij speelde Habbo hotel op internet en mocht een bepaalde kamer niet binnen omdat hij geen seks met dieren wilde hebben. Noem je dat shocking”, vraagt ze. ,,Nou, het ís toch niet zo shocking hoor! Het probleem is niet dat hij dat meemaakt. Iedereen maakt in zijn jeugd wel een erg verhaal mee.” En ze weidt uit over een verdwenen buurtgenoot uit haar eigen jeugd. ,,Die jongen was ineens weg. Wij – kinderen - maakten daar ons eigen verhaal van. Wij zeiden: die jongen is meegenomen door een kinderlokker en die heeft hem doodgemaakt.” Een paar weken later, vertelt Martine Delfos, bleek dat nog waar te zijn ook. ,,In míjn jeugd heb ik dat wéken kunnen ervaren. Dat kleine jongetje van vier dat een vervelende ervaring had op Habbo hotel, krijgt nauwelijks de tijd om het te verwerken omdat hij binnen een korte tijd alweer zo’n ervaring heeft. Als kinderen iets naars tegenkomen in het virtuele milieu, hebben ze nauwelijks de tijd om er met leeftijdgenoten en ouderen over te praten. Dat vind ik pas shocking!”
Kinderen moeten worden begeleid, zegt ze nog maar eens. ,,Ik schrik van wetenschappers die zeggen dat het helemaal niet zo erg is als kinderen bijvoorbeeld kinderporno op de computer tegenkomen. ‘Vroeger in het park waren ook enge mannen’, zeggen ze dan.” Ze spreekt ieder woord dat ze zegt met nadruk uit. ,,Maar het is echt anders, nu. Het is nog nooit zó makkelijk geweest om nare dingen tegen te komen.”
Kinderen zouden sowieso geen televisie of computer moeten zien als ze jonger zijn dan twee jaar, vindt ze. ,,Het is verslavend.” En weer volgt er een anekdote. Eentje van vlak bij haar om de hoek, dit keer. ,,Daar woont een jongetje dat toen hij drie was al heel handig overweg kon met de controler van de computer. Zijn vader vond dat eerst erg leuk. Totdat er ruzie kwam als hij moest stoppen. Dus besloten de ouders dat hij nog maar drie dagen per week achter de computer mocht. Dan hadden ze vier dagen geen ruzie, maar die andere dagen nog wel. Laatst werd er in dat gezin een baby geboren, een gezin is in zo’n periode altijd wat in de war. Toen ik kwam feliciteren, zat het jongetje achter de computer. Ik vroeg hem: is het je computertijd? Hij antwoordde serieus: papa is op zijn werk.”
Kinderen hebben grenzen nodig, zegt ze. ,,Ze willen beschermd worden. Daar vragen ze ook om. Mijn eigen kleinzoon bijvoorbeeld. Hij heeft thuis geen Playstation, maar bij opa en oma wel. Hij was nog heel jong, vijf ofzo, toen hij tegen zijn moeder zei: ik vind het altijd zo moeilijk om te stoppen als ik bij opa en oma Mario speel.” Om te stoppen met computeren, daar hebben ze ons voor nodig, zegt Martine Delfos. ,,Om daar met ze over te praten – te zeggen: jij vindt het moeilijk om te stoppen he? – hoef je geen verstand van computers te hebben. En zeg nou niet”, roept ze uit, ,,jij krijgt internetarrest. Straf werkt alleen bij mensen die het niet nodig hebben. Práát met ze!”
,,Als je dan als ouder zegt: ik weet niks van internet, ga je voorbij aan het feit dat je kunt opvoeden. Je moet zeggen: ik ben je moeder en ik weet misschien niet zoveel van computers, maar dit zijn de grenzen. Zorg ervoor dat ze niet in de problemen komen.”
En passant hekelt ze nog even de criticasters van haar beschermende houding ten aanzien van de internetgevaren. ,,Die zeggen dan dat oudere generaties altijd tegen vernieuwing zijn. Maar is dat ook zo?” Nee, beantwoordt ze haar eigen vraag. ,,Ik vind dat een beetje onzin. Ik ben zestig. Ik heb een eens bekeken wat de zorgen in het verleden waren. Vroeger mochten kinderen geen stripboeken lezen omdat dat slecht zou zijn voor hun leesontwikkeling. Als we zien hoe dyslexie om zich heen grijpt, ben ik beng dat ze gelijk hadden. Rekenmachientjes zouden rekenproblemen veroorzaken en ook daarin hebben ze misschien een beetje gelijk gehad. Maar waar zee in ieder geval gelijk in hadden, is hun zorg dat geweld in de media agressie zou bevorderen. En nu is het seks op internet dat kinderen hoe dan ook tegenkomen. Ook als ze daar qua leeftijd nog lang niet aan toe zijn.”
Vroeger, zegt ze, zocht je naar vieze boekjes die je zo lang als je kon en zo lang als je wilde ging bekijken. ,,Wat daar fout aan was, is dat je er lang naar moest zoeken”, lacht ze. ,,Wat goed was, is dat je ernaar zócht. Je was er dus aan toe.” Dat, zegt Martine Delfos, zijn we kwijtgeraakt. ,,Je krijgt het nu ook als je er nog lang niet aan toe bent. Kinderen hebben nog geen kaders. Hoe wil je dat ze deze dingen begrijpen? Porno begrijp je pas als je weet wat seks is.”
Ze maakt nog maar eens de vergelijking met fietsen. ,,Als je het over fietsen hebt, gaat het niet alleen over de ongelukken maar ook dat fietsen leuk en handig is. Maar in het verkeer heb je stoplichten, flitspalen en regels. Dat zou in het virtuele milieu ook zo moeten zijn.” Aan ons de taak om die regels te maken, zodat ouders hun kinderen daarin kunnen opvoeden.”
|